De klokken van het Zuiden (BIM! BAM!)

Na jaren touwtrekken heeft de Raad van State geoordeeld dat de gemeente Tilburg met recht heeft bepaald dat pastoor Harm Schilder van de Margarita Mariakerk niet voor half acht ’s ochtends de hele buurt wakker mag maken met het beieren van zijn klokken. Schilder voelt zich ernstig benadeeld en stapt ermee naar het Europese Hof. Hij meent dat geen andere Nederlandse gemeente zo stringent optreedt tegen kerkklokken en dat de vrijheid van godsdienst in het geding is. Heeft Tilburg iets tegen klokken of speelt hier wat anders?

korte metten
 
Pastoor Schilder overtreedt iedere werkdag om 7:15 uur de geluidsnormen met zijn oproep tot de vroegmis, met vele klachten tot gevolg. Op een gegeven moment heeft men speciaal voor deze bevlogen dienaar Gods een artikel opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening, artikel 109a, dat luidt: 

Geluidhinder door vroege oproepen tot gebed Het is verboden om van 23.00 uur tot 07.30 uur door middel van klokgelui dan wel op andere wijze op te roepen tot gebed, in de zin van artikel 10 Wet Openbare Manifestaties, met een geluidsniveau dat meer dan 10dB(A) ligt boven de normen uit het Activiteitenbesluit en meer dan 10 dB(A) boven het referentieniveau van de omgeving. 

De wet- en regelgeving waaraan gerefereerd wordt is landelijk van kracht (zie hier voor het wettelijk kader van deze zaak). ‘Geluid voor oproepen en belijden van geloof’ geldt expliciet als een van de geluiden die normaliter buiten beschouwing worden gelaten. (Evenals pratende mensen en onversterkte muziek zijn dat zo van die geluiden die aan het omgevingsgeluid bijdragen – maar dat mag ook niet op onchristelijke tijdstippen.) Volgens de WOM is de gemeenteraad echter bevoegd om paal en perk te stellen aan de duur en het geluidsniveau ervan.

Tilburg gooit een bijzonder royale schep van 10 decibel bovenop de norm van 70 dB(A): iedere 3 dB extra betekent namelijk een verdubbeling van geluidsvolume. De pastoor heeft dan weer pech met het feit dat ze in Tilburg niet zo vroeg uit de veren zijn, want meestal duurt de nacht maar tot 7:00 uur. Zou hij echter een kwartier later beginnen dan normaal, dan mag hij helemaal de beest uithangen. Vaak kwam hij ruim boven de 80 decibel uit (t.w. 83) – en dat is hard. (De meeste kerkklokken zitten in de regionen rond 70.)

klokkenluider ‘online’

Zelf beweert de pastoor nog maar 25% van de parochianen te kunnen bereiken onder deze restricties. Kennelijk bevindt zijn kudde zich nogal verspreid over deze grote Brabantse stad en hebben die arme mensen nog steeds geen wekkers. En wie zich nu voorstelt dat hij dagelijks wild enthousiast aan de touwen van de klokkentoren staat te sjorren, om telkens met opwaaiende rokken mee omhoog gesleurd te worden, komt bedrogen uit: meneer drukt op een knopje. Wie met de hand luidt, kan zo het volume regelen – nu kan dat kennelijk niet.

Voortaan een SMS-je rondsturen, heeft hij daar al aan gedacht? Men moet met zijn tijd meegaan. In het Italiaanse Chiari hebben ze een iPhone applicatie ontwikkeld waarmee je kerkklokken kan regelen, dus in 1 moeite door zend je de gelovigen een ringtone die het Laatste Oordeel doet verbleken. Je kan er vast ook een begrenzer aan vastknopen, maar dat wil Schilder dus niet. Maar ‘heb uw naaste lief’, zou ik zo zeggen.

Op zondag mogen de omwonenden godzijdank uitslapen. Ironisch genoeg is er nog steeds een landelijke wet van kracht om de zondagsrust te garanderen: de Zondagswet uit 1953 bepaalt dat op geen enkele wijze hinderlijk gerucht mag ontstaan dat de eredienst zou kunnen verstoren. Dat deze zelf overlast veroorzaakt was lange tijd ondenkbaar. Steeds vaker vinden klagers tegenwoordig gehoor (overal in Europa, zelfs in Italië). Op veel plekken is het luiden slechts op hoogtijdagen toegestaan (al zijn er in Friesland dorpen waar dat betekent dat men – tegen alle verbodspogingen in – 11 dagen non-stop doorgaat).

het Heilig hard

Maar hoe komt het nou dat deze priester er van die onTilburgse gewoonten op na houdt? Wel, Margaretha Maria Alacoque, de patrones van de kerk, was de (aan)stichtster van de Heilig Hart-cultus, zo’n beetje de meest devote en fanatieke populaire stroming van de contrareformatie. Harm Schilder volgt alle encyclieken naar de letter en voelt zich meer thuis bij rechtzinnige protestanten dan tussen liberale katholieken – al is naar zijn mening de banvloek van de Paus nog steeds geldig. Vandaar die hang-up met oude gebruiken als dat luiden van de vroegmis.

Ook koesteren ze een speciale liefde voor klokken: alleen de beste zijn goed genoeg. Bij de Heilig Land Stichting dragen alle klokken namen en de grootste, van 1800 kilo, is Margaretha gedoopt. Ze was bedoeld voor de (nimmer afgebouwde) basiliek maar het bleek dat voor de bezoekers van het museum het luiden van de klok teveel decibellen opleverde. Tegenwoordig begeleidt ze, met dat typische gevoel alsof je maag in je schoenen belandt, op passende wijze begrafenissen. Het gewraakte exemplaar van de Tilburgse kerk is maar een klein opdondertje – maar misschien is het een genetisch verschijnsel…
 
foto 1: uitzicht over de Tilburgse wijk waar de martelaren van de MM-kerk wonen; foto 2: een blijkbaar stokdove geestelijke controleert de hartslag van Margaretha.
 

Hoi hoi,

Binnenkort komt hier de voortzetting van mijn vkblog.

Joke Mizée

professor Kinneging en de wet van Godwin

Vorige week plaatste professor Andreas Kinneging een Godwin van jewelste in het gezicht van professor Arnold Heertje: “Structuren die tot een betere samenleving leiden! Dat vonden de nazi’s ook!” Zowel Aleid Truijens op de VK-opiniepagina als Maria Trepp op haar blog hebben reeds hun afkeuring hierover geuit. Zelf reageerde ik bij Maria met:

“Ik zou eerst wel eens willen weten wat daar nu exact gebeurd is, want Truijens is niet altijd even objectief en Heertje is ook geen lieverdje. (Ron Ritzen nam hem niet voor niks als ikoon voor zijn boek Het Arnold Heertje-effect, over al die pratende hoofden die nooit inhoudelijk argumenteren.) Om te beginnen is het bv. niet waar dat Heertje was uitgenodigd om over de Holocaust te spreken.”

(Volgens de aankondiging zou Heertje namelijk spreken over zijn vakgebied, en wel over ‘de rol van economie in een begripvolle, hechte democratie’.)

de juiste prikkels
 
Nu de vergelijking met Hitler en zijn trawanten het modethema van deze lente schijnt te zijn, is het misschien wel aardig om ook eens een duit in het zakje te doen en te onderzoeken waar de grens ligt tussen het gebruik als drogreden (c.q. dooddoener) of bij voorbeeld als treffende repliek op de woorden van de ander (niet chic, maar wel raak). Met andere woorden: is-ie boven of onder de gordel. Maar al te vaak wordt zo’n opmerking in de media zwaar uit z’n verband gerukt. En hoe vaak is niet de Godwin zelf, maar de beschuldiging daarvan de killer in kwestie?
 
Inmiddels heeft eerdergenoemde Ron Ritzen (ik dacht al waar blijft-ie) op zijn onvolprezen website drogredenen.nl een bespreking geplaatst van de conversatie tussen beide BN-ers, die ik hier onder dankbetuiging grotendeels overneem:

Heertje was uitgenodigd om zijn zegje te doen over een (m.i. zeer verfrissend) boek van Willem van Leeuwen over ‘vergeving’ en dat deed Heertje dan ook (niet). Heertje zag, zo bekende hij, weinig heil in het verschijnsel ‘vergeving’. Hij noemde het een ‘alfa’-benadering. “Als u wilt dat er een samenleving komt, die humaner is, een samenleving waar mensen elkaar kunnen vertrouwen, waar mensen eerlijker zijn (…) als u dat wilt, zult u de vraag aan de orde moeten stellen waarom u dat eigenlijk wilt, en hoe u dat tot stand gaat brengen. Wat moet daarvoor gedaan worden… Welke architectuur is nodig om een dergelijke wereld te bereiken? Maar de eerste vraag is, is dat eigenlijk wel nodig? Is het nodig dat we allemaal mensen krijgen in de samenleving, die deze geweldig ethische humane karakteristieken hebben? Is dat nodig en als u denkt dat dit nodig is, hoe gaat u dat dan controleren of mensen eerlijk en betrouwbaar zijn. Want naar mijn mening gaat het daar helemaal niet om.” Volgens Heertje willen we een samenleving waarin mensen zich gedragen alsof ze te vertrouwen, eerlijk en integer zijn. En dan moet je de vraag stellen hoe je dat gaat bereiken. Een kwestie van ‘social engineering’. Hij pleitte voor een systeem van prikkels waardoor zich gaan gedragen alsof ze te vertrouwen zijn. Een meer humane samenleving kan bereikt worden langs de weg van de exacte wetenschappen. “Langs de weg van de natuurkunde, de scheikunde en de wiskundige.

Kinneging, hoogleraar rechtsfilosofie, meende dat Heertje een belangrijk punt over het hoofd zag: wie bewaakt degenen die de prikkelstructuren inbouwen (1:54:28). “Wie bewaakt de bewaker?”, wilde Kinneging weten. Hij wees erop dat de nazi’s heel goed waren in het construeren en gebruiken van prikkelstructuren. Heertje vond “deze suggestie buitengewoon grievend. Ik begrijp niet waarom u dat doet. Er is ook geen enkele reden om dat te doen. Het is volstrekt misplaatst. U weet niet wat u zegt. U suggereert nu dat ik met gedachtegangen kom, die – als het ware – gefundenes Fressen zijn voor de nazi’s. Dat vind ik buitengewoon kwalijk.”

Kinneging meende op zijn beurt dat dit voorbeeld wel degelijk van belang is, omdat dit de zwakte van het betoog van Heertje blootlegde. “Maar het is misschien wel waar. U vindt het niet leuk, maar daarom geef ik dit voorbeeld. Misschien heeft u niet goed genoeg nagedacht over deze problematiek.”Heertje wees vervolgens op het fenomeen ‘mechanism design’, waarvoor drie Amerikaanse economen de nobelprijs hebben gekregen. Het waren, zo benadrukte Heertje, alle drie joden. “Een essentieel onderdeel van het ‘mechanism design’ is het voorzien in de behoefte van burgers.”

Kinneging wilde vervolgens weten waarom er geopteerd moet worden voor een waarde als duurzaamheid. Heertje: “Houdt u nu toch even op, meneer, als u wilt.” Dat wilde Kinneging kennelijk niet, want hij herhaalde zijn vraag.Op dat moment greep de gespreksleider, Pieter Hilhorst, terecht in. Hij bracht op een slimme manier het gesprek terug op het thema van de avond, ‘vergeving’. Maar daar wilde Heertje niet aan meewerken. Hij kwam terug met de sneer dat Kinneging niet kan weten waar het in deze economische theorie om gaat. Uitgangspunt van deze theorie is de behoeften van burgers.

wie bewaakt de bewaker
 
Zie voor de bespreking van de gebruikte argumenten de rest van Ritzens artikel. Naar mijn mening speelt Kinneging hier op de bal en niet op de man (de enige die, als altijd, op de man gaat spelen is Heertje) en is zijn vergelijking, hoewel niet al te subtiel, relevant. Heertje’s oplossing-om-bestwil doet me denken aan de documentaire-reeks Century of the Self van Adam Curtis, die als tagline heeft: “This series is about how those in power have used Freud’s theories to try and control the dangerous crowd in an age of mass democracy.” De vele overeenkomsten van social engineering (oftewel consumentisme) met nazi-Duitsland zijn nl. niet toevallig: beiden putten uit dezelfde bron van kennis over het onderbewuste en gebruikten dezelfde technieken – zij het dat ‘propaganda 2.0’ wellicht betere bedoelingen had, te weten om een herhaling van 1.0 te voorkomen.* Maar juist door goed te willen doen, gaat heel wat fout. Zo bezien is het ook eigenlijk niet zo vreemd dat de opgeworpen hamvraag, “Wie bewaakt de bewaker?”, door Plato is geformuleerd, terwijl zowel Plato als zijn grootste fan Kinneging zelf bepaald niet gespeend zijn van autoritaire neigingen. Maar nagedacht over de problematiek hebben ze gelukkig wel.
 
* zie ook mijn blog over dit onderwerp: Sigmund de maatschappijcriticus

Ode aan Vrijplaats Koppenhinksteeg

Voor meer foto’s van de ontruiming en de aktie daarna op het Stadhuis, zie hier, hier en op indy

 Aanverwant artikel: de her-illegalisering van Vrijplaats Koppenhinksteeg

update 21-3-’11: nieuwsitem over de stand van zaken 1 jaar na de ontruiming

Directe democratie: met z’n allen aan het roer

De laatste tijd is bestuurskundige Roel in ’t Veld een paar keer in de media geweest met uitspraken die her en der enthousiast worden aangehaald. In de discussie rond de kloof tussen de burger en de politiek neemt hij een behoorlijk radicaal standpunt in. Eindelijk iemand die echte verandering predikt en het nog meent ook.

het populisme-debat: praatjes vullen geen gaatjes

Kort geleden zwengelde Mark Bovens de discussie rond verlicht populisme aan, na de publicatie van zijn rapport over de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden. Aangezien die laatsten politiek niet vertegenwoordigd zijn – met name wat hun fysieke deelname betreft – roept Bovens diverse vormen van directe democratie in herinnering. Vlak daarop rolde een boekje van zijn opponent Anton Zijderveld van de persen, eveneens opgehangen aan de populisme-kapstok, in de hoop de representatieve democratie zodanig te verstevigen dat zulks toch maar niet bewaarheid zal worden. De tussenstand: geen van de gevestigde partijen zou het toetreden van de gewone man toejuichen en van de gedachte aan referenda krijgen ze het al benauwd.

Wat wel aansloeg is het idee om volksverheffing nieuw leven in te blazen, een fenomeen wat sinds jaar en dag te boek staat als een regenteske neiging. Het is eigenlijk een raadsel waarom dit kabinet er niet eerder mee aan de slag is gegaan. Voor Wouter Bos is integratie een vorm van emancipatie, een proces dat in zijn perceptie van hogerhand in de gewenste richting gestuurd dient te worden. Ook ontevreden burgers gaat hij volgens dit beproefde recept van hun angst voor de geglobaliseerde toekomst afhelpen, zo verklapte hij aan Elsbeth Etty. Zo’n opgewarmde prak is vast goedbedoeld, maar wel een ontzettend zwaktebod in het licht van de mogelijkheden die het democratische experiment allemaal in zich vervat. Weinig verheffend allemaal.

geen dictatuur van de meerderheid maar wèl echte inspraak

Een van de redenen dat er weerstand heerst tegen directe democratie is een hele nobele, namelijk dat het botweg uitvoeren van de wil van de meerderheid geen recht zou doen aan de belangen van minderheden. Daarom prefereren democratisch gezinden van oudsher een volksvertegenwoordiging, die de diverse belangen dient af te wegen. (Om dezelfde reden is een referendum – in het bijzonder een ja/nee-referendum – niet ideaal.) Een systeem van vertegenwoordiging echter dat niet of nauwelijks mogelijkheden voor directe zeggenschap biedt, houdt niet het midden tussen twee kwaden, doch neigt naar particratie. De vraag is dus wat de meest uitgebalanceerde manier zou zijn waarop burgers invloed op het beleid kunnen uitoefenen, die verder gaat dan het plaatsen van een kruisje en effectiever is dan het pro forma-karakter van de geijkte inspraakavond.

De visie van Roel in ’t Veld behelst vergaande decentralisatie, maar ademt wèl de sfeer van ‘grassroots’. Op diverse terreinen zullen burgers in plaats van bestuurders voor besluitvorming zorgdragen, waarbij het uitdiscussiëren van onderwerpen de voorkeur heeft boven stomweg gaan stemmen. De vraag hoe en door wie de uiteindelijke knoop moet worden doorgehakt, is en blijft de crux van het geheel. In ’t Veld toont zowel interesse in de (getrapte) methode die in Porto Alegre in Brazilië wordt toegepast, als dat hij mogelijkheden ziet in discussies via internet. (Bij dat laatste denk ik meer aan gordiaanse knopen…) Hij stelt ook dat hij representativiteit van minder belang acht dan de ‘checks & balances’. Daar zit wel wat in, want kwaliteit gaat boven kwantiteit, maar een representatieve steekproef is toch geen overbodige luxe.

En dat is nog niet alles, want in ’t Veld laat vervolgens het parlement verdwijnen. We kiezen de regering en de rekenkamer rechtstreeks, en hebben ruimere mogelijkheden ons met het gevoerde beleid te bemoeien en ministers naar huis te sturen. Dat is dan het punt waar hij me links dreigt in te halen, want naast een grotere invloed door jan met de pet zie ik ook graag dat er controle is, vanaf een centraal punt en vanuit een samenhangende visie. (Dat zal dan wel samenhangen met mijn hardnekkige conservatisme, dat nauwgezet de vele uitwassen optekent van onze moderne, regisserende overheid die alles op afstand zet. Maar in het emancipatiepakket van Wouter Bos komt vast nog wel een cursus om je daarvan af te helpen.)

Mijn voorkeur ligt uiteindelijk bij een stevig parlement dat dienstbaar(der) is aan de publieke opinie en als voornaamste taak heeft de diverse belangen af te wegen en zoveel mogelijk recht te doen. De bottleneck van veel inspraakmethodes zit ‘m in het afketsen van zogenáámde private belangen van burgers tegen het schild van wat door politieke vertegenwoordigers abusievelijk voor het algemene belang wordt gehouden:

In de zaal in Osdorp had zich dus een klassieke omkering voltrokken. De gemeente en woningcorporaties kwamen op voor hun privé belangen als projectontwikkelaars, terwijl de gemarginaliseerde bewoners zich publiekelijk opwierpen voor “het algemeen woonbelang”. Waarmee zich zo’n 2400 jaar na dato – niet in Athene maar in het onwaarschijnlijke Osdorp – een gefaalde poging voordeed om de politiek terug te brengen tot haar oorspronkelijke betekenis. (Merijn Oudenampsen, “Nieuw West de frontier van Amsterdam/)

over de methode Porto Alegre en het bereiken van consensus

In Porto Alegre wordt gewerkt met zgn. participatieve budgetten, wat inhoudt dat de inwoners samen de begroting in elkaar zetten. De buurtvergaderingen hebben het voor het zeggen, al werkt het wel met een systeem van vertegenwoordiging. Het idee achter dit soort intensieve methodes is dat er gaandeweg meer begrip voor elkaars standpunten ontstaat en dus enige mate van consensus. Dat zal ook meestal wel lukken, maar onderhavig experiment beperkt zich dan ook tot voorzieningen als riolering en bestrating. Wanneer het om maatschappelijke onderwerpen gaat wordt de vraag wat er moet gebeuren stukken complexer. Hoe dan ook, de niet geringe winst zit ‘m in de grotere betrokkenheid van burgers in combinatie met de garantie dat hun inspanningen worden gehonoreerd. De laatste jaren heeft het in Nederland niet zozeer aan het eerste ontbroken als aan het laatste – wat aanzienlijk aan de kloof zal hebben bijgedragen.

zie over Porto Alegre verder nog een casestudy van Worldbank en Participatory Budgets

zie met betrekking tot Roel in ’t Veld:
[1] Bekwame burger redt democratie
[2] Den Haag minacht de burger
[3] De vloek van het succes (totaalvisie)

Addendum:

Het artikel Staat en civil society is interessant omdat het de hele politiek-filosofische discussie over de verhouding tussen staat & maatschappij (sinds o.a. Rousseau en Tocqueville) behandelt, alvorens uit te komen bij …. Porto Alegre.

Er bestaat een documentaire over de democratiseringsbewegingen in Zuid-Amerika, getiteld: Beyond Elections: Redefining Democracy in the Americas.

Muzikaal intermezzo 3: de intiemste momenten

de après-toegift

In deze aflevering zoeken we toenadering tot de rasechte vertegenwoordigers van de (folk)muziek van Europa en de VS. Het pluimpje, dat moeten toch wel degenen zijn die na afloop van het concert in de barruimte nog eens helemaal overnieuw beginnen met spelen. In elk geval zijn de concerten waar je zelf de meest dierbare herinneringen aan overhoudt, meestal die die in intieme settings plaatsvonden. (Oei, dit wordt sterk anecdotisch – en het is nog maar de vraag of de sfeer een beetje overkomt… Maar dan is er nog de muziek zelf, en (hopelijk) ook de vele mooie herinneringen aan akoestische muziek die je zelf koestert.) Mijn persoonlijke bloemlezing, na een ontdekkingsreis langs geheugen en platenkast:
 
‘Little Feat’ (maar: net echt) [americana]
 
Ik weet nog goed hoe ik in contact kwam met de muziek van Little Feat, in casu de grote hit uit het tijdperk van Lowell George, hun legendarische voorman: Willin’: het was in Café de Beest in Leiden, na sluitingstijd. De ‘baas’ van het café, Rob Baars, speelde samen met Aad van Pijlen een moppie gitaar om ademloos naar te luisteren – waaronder dus Willin’. Zoals alle wereldnummers duurt ook deze veel te kort, dus wij riepen ‘bis!’. Ze hebben het toen 3 keer voor ons gespeeld. In De Beest was het altijd een beetje een chaos, en niet lang daarna ging de zaak op de fles. Rob is toen Sus Antigoon begonnen aan de Oude Vest, waar hij nog steeds regelmatig optreedt met de andere veteranen van de Leidse muziekscene. Ook Little Feat is na de dood van George in ’79 zeker niet op zijn lauweren gaan rusten en still going strong. (Helaas is het voor Amerikaanse bands zonder hoge cd-verkoop nog steeds lastig om Europese toernees rond te breien.)
 
Willin’ door Little Feat
– enkele ‘low fidelity’ live-opnamen van Rob Baars

Snake Charming [klezmer en smartlappen]

Het feestelijke programma dat de Poolse week afsloot (van Leiden en haar zusterstad Torún) bood als slotact het Haagse Snake Charming, wat een zeer goede keuze bleek te zijn. Polen gaan namelijk zéér gemakkelijk met de beentjes van de vloer – je weet niet wat je meemaakt! Voor ons Hollanders, die altijd wachten tot er eentje gaat dansen, een unieke ervaring. De wodka die aan het begin van de avond met gulle hand werd rondgedeeld zal er ook wel aan bijgedragen hebben. Toen dus Snake Charming aantrad met haar repertoire van ruige chansons, drinkliederen en klezmermuziek, ging dat erin als pap. En ze bleken onverwoestbaar: zowel qua energie als qua drank wisten ze de onoverwinnelijk geachte Polen te verslaan.

Nog weer later, toen die al hadden afgehaakt en alle vrijwilligers op apegapen lagen, bleek voorman Marcel Cuypers nog steeds een voorraad noten op zijn zang te hebben. Toen hij de oude piano in de barruimte spotte, kroop hij erachter en wist ook de rest te verleiden tot een uitgebreide toegift, die een van mijn all time favorieten bevatte: Epitaph van King Crimson… Een tijdje later volgde een ander nachtbraakfestijn, de jaarlijkse wandeltocht de Nacht van Juigalpa (een andere zusterstad), waarbij zij de slotact waren in het café van Sociëteit de Burcht. Een vrijwilliger van ons die de volgende ochtend een afspraak met de uitbater had, trof deze juist op het moment dat hij de band uitzwaaide. Kortom, het betreft hier letterlijk doorleefde muziek.

Cuypers is waarschijnlijk vooral bekend als klarinettist van de Dopegezinde Gemeente, de opvolger van het Trio Cor Witjes. Op zijn website zijn nog diverse fragmenten van oude optredens te vinden, altijd met die mengeling van ernst en ironie. Daarnaast deed en doet hij aan interessante smeltkroes-experimenten als City & Eastern[1]. “Ik loop al jarenlang rond met twee koppen. Ik hou van klezmer en ik heb altijd een voorkeur gehad voor popliedjes met een oosterse of Oost-Europese inslag. Die hoor je ook in sommige Nederlandstalige smartlappen. Die speel ik dus ook. Zodra je iets doet wat op een smartlap lijkt, weten mensen in het publiek er nog vier te noemen die ze graag willen horen. [..] Klezmer is vrolijk en droevig tegelijk. Misschien beginnen die twee koppen van me langzamerhand één kop te worden. Het nummer ‘Money’ bijvoorbeeld heeft een zevenkwartsmaat. Veel oriëntaalse nummers hebben dat ook.” (bron)

Marge Bruchac [native american]

Marge Bruchac, de zus van de bekende Indiaanse verhalenverteller Joseph Bruchac, kwam op een middag bij ons optreden. Een opmerkelijke vrouw met een intrigerende vertelstem. Ook al sprak ze Engels, dat leek geen enkel bezwaar te zijn voor de kinderen die in de zaal zaten. Van tijd tot tijd vroeg ze “hey?”, waarop de zaal antwoordde met “ho!” – dat hoort zo. Het was redelijk onderhoudend, voor zover mogelijk met zo’n hoog ‘hoe de vos zijn staart kreeg’-gehalte. Maar het echte verhaal kwam pas na afloop uit de mouw, toen we (nadat we ook het glaswerk in verhuisdozen hadden gepakt vanwege de aanstaande verbouwing) ons met alle vrijwilligers aan eettafels hadden geïnstalleerd in de grote zaal.
 
Hoe kon het nou toch dat zij er pas vrij laat in haar leven achtergekomen was dat ze Indiaanse was? Wel, dat zat zo: destijds kon je maar beter geen Indiaan zijn, want dan viel je geen beste behandeling ten deel (tot en met sterilisatie). Haar ouders hadden het haar en haar broer dan ook niet verteld. Ze werkte (als antropologe) in het museum toen tijdens een lezing een bezoeker haar vroeg om een verhaal van de Abenaki te vertellen, maar dat zei haar helemaal niets. Toen zei hij: “I’m an Abenaki indian and so are you”. In retrospectief lijkt haar talent wel een roeping te zijn: niet iets wat ze doet maar wat ze eenvoudigweg is, niet láten kan. Blijft de vraag met wat voor verhalen ze werd grootgebracht… vast Br’er Fox en Br’er Rabbit[2]

Eén van de aanwezigen in het publiek was Philip van der Zee, een verhalenverteller die je o.a. in Archeon in Alphen aan den Rijn in het wild tegen kunt komen, samen met zijn vrouw Theresia. Zij waren destijds dermate onder de indruk van Marge dat ze zich door haar in de echt hebben laten verbinden. Wat theatraal verhalen een extra dimensie geeft zijn de muzikale motieven – ‘reciteren’ is immers zingend verhalen of verhalend zingen. Echte vertellers als Marge en Philip begeleiden zichzelf dan ook met een keur aan oude muziekinstrumenten.
 
de Tenores di Bitti [Sardijnse folklore]
 
Toen we er voor de 2002 editie van het Grenzenloos Festival in slaagden om de Tenores di Bitti naar Leiden te halen, was dat niet zonder gepaste trots. Dit van Sardinië afkomstige viertal is namelijk internationaal befaamd om zijn karakteristieke samenzang. Volgens de boeker, de programmeur van Folkclub Horus, zou er een Sardijnse tolk benodigd zijn. Waarom dan, spraken ze dan geen Italiaans? En zouden ze met Frank Zappa[3] en Lester Bowie hebben rondgehangen zonder een woordje Engels opgedaan te hebben? Nee nee, Italiaans was out of the question – dat was immers de taal van de onderdrukker voor een Sardijn! En bovendien, ‘zo deed hij dat altijd‘. Enfin, het eind van het refrein luidde dat hij die tolk zelf zou regelen.
 
Zeer dicht bij huis – zoals gewoonlijk – werd een Sardijn opgevist, uit de schare van leden van het zeemanskoor Rumor di Mare. Pas bij het afhalen van de Tenores, bij het ochtendkrieken op de luchthaven van Brussel, bleek dat de goede man een dusdanig ander accent sprak dat ze elkaar niet konden verstaan. Ze hadden echter geen bezwaar tegen Italiaans en verstonden prima Engels. Het meest communiceerden we echter via internationale gebarentaal. Na afloop in de foyer van het LAKtheater gebaarden ze dat ze een rondje weggaven en met geheven glas brachten ze vervolgens een muzikale toast uit. Van zo dichtbij en opgedragen aan jezelf is het nog veel mooier. Sardijnen laten overigens het vaatwerk heel.

tenores_di_b
tenores

Foto’s: 1. Marcel Cuypers 2. Marge Bruchac met echtgenoot Justin Kinnick 3. Philip van der Zee 4. & 5. de originele Tenores di Bitti

Voetnoten: [3] Frank Zappa! Daar zou ik nou wel eens een beschuitje mee hebben willen eten (maar daarvoor is hij te vroeg heengegaan), onder het genot bv. van [2] Uncle Remus (een verwijzing naar Tales of Uncle Remus, het sprookjesboek waar Walt Disney zo dankbaar uit geput heeft).

[1]City and Eastern: Time Release is een chronologisch overzicht van de muziekgeschiedenis, dat in de oudheid begint ten tijde van Confucius en Pythagoras, zich een weg vreet door middeleeuwen en classicisme, om op het randje van de twintigste eeuw tot stilstand te komen. Muziek uit Oudheid en Middeleeuwen, en composities van onder anderen Mozart, Moussorgski, Brahms, Tsjaikowski en Satie, waarbij de nadruk ligt op oriëntaals aandoende stukken zoals Arabische Dansen en Turkse Marsen.
The Well-Tempered Maqam poogt een brug te slaan tussen de uitelkaarlopende, tegengestelde ontwikkelingen van de Europese en de Oriëntaalse muziek, en is gestruktureerd rond een modulatieplan, waarin verschillende toonsferen met elkaar gecombineerd en tegen elkaar gecontrasteerd worden. De hiervoor gekozen muzikale vormen zijn ontleend aan Turkse en Arabische klassieke vormen als Taxim en Peshrev, dansmuziek van Griekse, Joodse en Armeense oorsprong, repetitieve ritmes, het voortdurende gebruik van (wisselende) grondtonen, eenstemmigheid, heterofonie, parallelharmonie.
Het Paalman – Cuypers Ensemble presenteerde op 4 mei 2005 zijn eerste cd, met als belangrijkste werk de “Mauthausen”-Cyclus van de dichter Iakovos Kambanellis en componist Mikis Theodorakis.

Muziek: de zijden snaren van de oosterse route

Zoals ik in De Andalusische bakermat en de snaren der harten een muzikale rondreis maakte met de Middellandse Zee als middelpunt, zo kunnen we ook oostwaarts trekken, via pak ‘m beet de noordelijke Zijderoute (dwars door Centraal Azië). En zoals toen de oud onze gids en leidraad was, kan nu de tar die vormen. Een andere rode draad om ons gebied even af te bakenen vormt die van de Turkse volken, aangezien zowel landkaart als muziek van hun aanwezigheid doortrokken zijn.

de oud en de (du)tar in relatie tot de luit


Beide snaarinstrumenten vormen loten aan de stamboom van de luit. Over de geschiedenis van de luit via Andalusië vermeldt De Geïllustreerde Encyclopedie van Muziekinstrumenten: “De voorlopers van de Europese luit gaan terug tot 2000 v.C. en komen uit het Midden-Oosten en Verre Oosten. Het instrument werd rond de 8e eeuw via Spanje naar Europa gebracht, door de Moren en Saracenen. [..] De populariteit van de luit bereikte in de 16e eeuw zijn hoogtepunt; tegen de tweede helft van de 18e eeuw was hij verdrongen door de gitaar en de piano.” Onder het kopje van de (o)ud vermelden zij bovendien:

“Arabische musicologen hebben de karakteristieken van de verschillende instrumenten in de luitfamilie bestudeerd – de Chinese p’i p’a, de Japanse biwa, de Vietnamese tiba, enz. – en ontdekten niet alleen dat zij verwant zijn aan de ud, maar ook hoe zij zich hebben kunnen verspreiden. Aan de ene kant kwam dit door de Perzische arbeiders die meewerkten aan de bouw van Kaaba. Aan de andere kant werden zij verspreid door zee- en kooplieden wier routes door Zuidoost-Azië en Noord-Afrika voerden. De eerste muzikant die de ud bespeelde zou een zekere Saib Hasir zijn, in de 1e eeuw. Hoewel nooit bewezen, is deze legende belangrijk omdat de ud niet alleen de voorloper van de Europese luit is, maar ook van Arabische tokkelinstrumenten.”

Terwijl de oud met zijn korte, afgebogen hals veel lijkt op de Europese luit, heeft een tar – naar verluidt een perzisch woord – een hele lange steel, met snaren tot ruim een meter. Waar de dutar, een exemplaar met slechts 2 snaren, wel dat buikige heeft, lijkt de tar met zijn klankkast in de vorm van een acht meer op onze gitaar. Beide zijn zeer algemeen in het hele gebied en doen denken aan de saz uit de Kaukasisiche regio. Ook ten oosten van de route bespeelt men langstelige instrumenten die onder de noemer ‘luit’ vallen, getokkeld worden bespeeld en karig voorzien zijn van snaren. (Zie bv. onder de muziek van Centraal Azië en Tuva.)

Turkse toefjes


Niet alleen de geschiedenis van de muziek gaat ver terug en kan ons heden ten dage soms wat verwarring bezorgen omtrent zaken als wanneer en waar naartoe, maar met name de volkeren zelf weten vaak niet meer zo goed waar ze vandaan kwamen. Zo schrijft Eildert Mulder in Trouw dat veel van die vrij nieuwe onafhankelijke staten uit het zuiden van de voormalige Sovjet Unie zich bij Turkije hebben gemeld als zijnde hun moederland. Die haastte zich natuurlijk om erop te wijzen dat de bakermat van alle Turken helemaal aan de andere kant ligt, in Oost-Turkestan!

Een interessant verhaal, want blijkbaar was iedereen het bestaan van die ‘andere Turken’ vergeten – terwijl de talen zo verwant zijn dat men elkaar kan verstaan. Zich tot Oost-Turkestan wenden gaat moeilijk, want dat bestaat niet. Het is het gebied genaamd Xinjiang, waar de Oeigoeren wonen die zich vooral de laatste tijd nogal roeren onder het Chinese bewind. Waar de andere staatjes eindigend op ‘~stan’ al niet vaak in de picture komen, weten we van Oeigoeren pas echt weinig – en we zijn dus niet de enigen… (Wat me echter pas werkelijk duister is, is wat ik me bij de republiek Jakoetië moet voorstellen. En toch bestaat die wèl.)

Te oordelen naar wat er op muziekgebied voorhanden is (live en via internet), zijn het in het algemeen vrij moderne landen met een muziekproduktie die zelfs een beetje teleurstelt door zijn herkenbaarheid. De invloed van populaire Turkse muziek is vaak onmiskenbaar, zoals in de liedjes van Yulduz Usmanova uit Oezbekistan, een van de eerste spelers op de wereldmuziekmarkt uit die regionen. Maar naast het standaardgerecht zijn er – net als bij de Andalusische bakermat – verrassende smaakmakers te vinden in de diverse genres (populair, folk en crossover). We volgen hetzelfde stramien als toen: u krijgt 3 heel verschillende voorproefjes voorgeschoteld.

  • Turkmenistan: Ashkhabad

Allereerst de perfecte bruiloften- en filmmuziek – groots en meeslepend – van Ashkhabad, uit de gelijknamige hoofdstad van Turkmenistan. Zanger en tarspeler Atabai Tsharykuliev en de fenomenale percussionist Khakberdy Allamuradov worden aangevuld met de vertrouwde combinatie van viool, clarinet en accordeon. Atabai, liefhebber van zowel hardrock als traditionele muziek, kwam eind jaren 70 nauwelijks aan de bak omdat de Russische autoriteiten zijn repertoire ‘te islamitisch, te religieus’ vonden. Helaas is onderstaande videoclip een instrumentaal nummer, maar het mag toch hooguit folkloristisch heten. Sinds 1985 toen het regime versoepelde is hij weer ’s lands populairste zanger.

Bayaty door Ashkhabad, van de cd City of Love
klik hier voor een impressie van het gehele album
Ashkhabad – Keçpelek (live)

  • de dutar in Oost-Turkestan

Ondanks de relatieve onbekendheid in de vorm van een niet zo denkbeeldig ‘ijzeren gordijn’ van onzichtbaarheid, laat youtube ons na het intikken van de zoekterm ‘Uyghur’ ontelbare tv-shows zien van Oeigoerse supersterren à la Yulduz (en eveneens steevast rijkelijk gelardeerd met een ballet in klederdracht). Wat mij het meest aansprak is de folkmuziek uit de regio Hotan, met ook een boeddhistische traditie. Zie verder de zeer informatieve websites van London Uyghur Ensemble en Compound Eye. Voor Nederland is Kamil Abbas een bekende artiest, dankzij VPRO’s Wandelende Tak.

playlist van dutar-muziek (vnl. uit Hotan)
twee nummers (1 en 2) van Abdurehim Heyit

  • Tuva: Huun-Huur-Tu

Ondanks (of juist vanwege) hun exotische uiterlijk en dito instrumenten blijkt de muziek van Huun-Huur-Tu zich bij uitstek te lenen voor toepassing in ambient electronische muziek, zoals hun jongste samenwerking met producer Carmen Rizzo laat horen. Het heeft tempo en is toch heel relaxed, als paarden die over de uitgestrekte steppen trekken – wat niet in de laatste plaats aan de sound van de doshpuluur te danken is. Er zijn legio videoclips met hun traditionelere werk in omloop, maar ze hebben zich ook altijd gretig op allerlei gastoptredens over de hele wereld gestort, waarvan akte.

Waar Tuva, dat tegen Mongolië aan ligt, vooral beroemd om is, dat is de keel- of boventoonzang. Door een speciale techniek is het mogelijk om 2 of 3 geluiden tegelijk te produceren (vanuit 1 keel) die meerdere octaven uiteen liggen. Ondanks het bakerpraatje dat het bij vrouwen onvruchtbaarheid zou veroorzaken, omvat de Tuvaanse music scene tegenwoordig florerende acts als Shu-De en Sainkho Namtchylak. Verder zijn Chirgilchin (vrij traditioneel) en Yat-Kha (punk/metal) aan te bevelen.

Eternal Huun-Huur-Tu ft. Carmen Rizzo (van de homepage van HHT)
jammend met Tony Levin in Goatika’s Creative Lab (z.o. linklijst)
Fly, Fly my Sadness Huun-Huur-Tu ft. Angelite (Le Mystère des Voix Bulgares)

Tot slot de solo-escapades van Kongar-Ol Ondar, zowel traditioneel als experimenteel

De cultuur van de straat

De rol die cultuur en religie spelen bij integratie is veelbesproken, maar vooralsnog op oeverloze wijze. Alexander Pechtold richtte zich deze week op de VK-Opiniepagina tot Wouter Bos met een artikel dat veel puntige uitspraken bevatte. Een bloemlezing daaruit:

De gedachte dat de staat integratie kan forceren is een misverstand. De kern van de PvdA-integratienota is aanpassen en aanleren, het ‘wegpoetsen’ van cultuurverschillen door dwang en drang. De PvdA ziet integratie, net als Wilders, vooral als een cultureel probleem.

[.] het zet mensen tegen elkaar op en reduceert een individu tot een ondergeschikt deel van een groep. Orthodoxe imams voelen zich hier prima bij, maar vrijzinnige moslims worden in een onmogelijke positie gemanoeuvreerd. Niet de staat, maar mensen zelf gaan over wie zij zijn en willen worden.

De PvdA biedt mensen geen zicht op een baan of een opleiding, maar bemoeit zich wel met hun identiteit.”

Wat had Bos daarop te zeggen:

“Ik ben het met Pechtold eens dat het politieke debat over integratie in Nederland de afgelopen jaren af en toe enkel om cultuur en religie leek te draaien, alsof werk en onderwijs er helemaal niet meer toe deden.

[..] Maar laten we nu niet – zoals Alexander Pechtold kennelijk voorstelt – in onze reactie op dat doorgeslagen debat terugvallen in oude fouten. De oude fout dat integratie vanzelf komt als je maar investeert in werk en onderwijs, de oude fout dat cultuur en religie helemaal geen rol spelen, de oude fout dat integratie een goeddeels autonoom proces is waar de overheid geen rol te spelen heeft.”

Bos pretendeert dat de afgelopen jaren ons hebben laten zien dat die opstelling niet werkte – wat natuurlijk iets totaal anders is dan aantonen dat cultuur en religie de sleutel zijn. Daar valt zeker nog het een en ander aan kanttekeningen bij te plaatsen. Hij maakt het echter nog bonter door eraan toe te voegen:

“Pechtold schrijft: ‘Niet de staat maar mensen zelf gaan over wie zij zijn en willen worden.’ Als dat de afgelopen eeuw onze houding was geweest, was er nooit een vrouw of arbeider geëmancipeerd. Velen van hen waren niet zelf of niet meteen in staat greep op hun eigen leven en toekomst te verwerven.

Te vaak stonden ouderlijk huis, gemeenschap, cultuur of religie in de weg. Altijd waren er voortrekkers nodig, altijd waren er politici nodig die pretendeerden te weten welke kant het op moest en zo mensen bewust maakten van hun mogelijkheden, altijd was er – in de favoriete woorden van D66 – betutteling nodig, wetten, regels of standpunten die het emancipatieproces op de rails hielden en vooruit hielpen.

Integratie van nieuwe Nederlanders in onze samenleving is voor een groot deel een kwestie van emancipatie; en zal dus langs dezelfde patronen moeten verlopen.”

over emancipatie

Bos koestert merkwaardig geromantiseerde herinneringen aan de emancipatie. Uiteraard waren er politici en andere intellectuelen die wel wisten hoe het moest, maar gelukkig dachten de betrokkenen ook zelf na. Het was en is beslist niet aan de overheid om de normen en eindcondities voor een dergelijk proces te bepalen. Laten we nu niet doen alsof Pechtold het hier niet heeft over kansen scheppen. Daartoe behoort eventueel educatie of ‘opvoeding’, maar zeker geen drang en dwang. Ook de Wetenschappelijke Raad voor de Regering (WRR) heeft meer dan eens opgemerkt dat de overheid de laatste jaren vooral dingen eist van haar burgers.

Ruim een jaar geleden toen Bos een lans brak voor polarisatie in het debat, associeerde hij voor het gemak even emancipatie met polarisatie. Ik kan me toch echt niet herinneren dat feminisme ooit gold als een maatschappelijk probleem… Hij zei onder andere: “Geen emancipatie zonder polarisatie. De emancipatie van de vrouw en de homoseksueel is alleen gelukt door strijd, door confrontatie. Het is klassiek marxistisch: these-antithese-synthese.”

Een dierbare virtuele kennis van mij reageerde als volgt: “Ik kan mij echter niet herinneren dat de PvdA ooit de emancipatie van arbeiders, vrouwen en homo’s wilde bevorderen door ze eerst te bekladden en te beschimpen. Integendeel, voorzover de PvdA bijdroeg aan de polarisatie – zeker in de periode Den Uyl – was dat door de maatschappelijke tegenstellingen (these-antithese) bloot te leggen, te weten die van arbeid versus kapitaal en seksuele geaardheid versus seksisme.”

intussen in het ghetto
 
Maar goed, moeten cultuur en religie wel of geen rol spelen in het integratiedebat? Het ligt eraan bij welk aspect, maar zelfs wanneer het gaat over Marokkaans-Nederlandse straatschoffies in de kansenwijken presteren sommigen het nog om het erbij te slepen. Hans Werdmölder deed het op dezelfde plek en tijd als de heer Bos, bij wijze van klassiek 1-2tje. Hopelijk is zijn boek beter, want verder dan een serie beweringen komt hij niet. Hij schrijft weliswaar genuanceerd, maar “Toch spelen Marokkaanse culturele patronen als eer, schaamte, trots, wantrouwen en hoge gevoeligheid wel degelijk een rol in hun gedrag.” Sinds wanneer zijn dat gepatenteerde eigenschappen? Eén bron zou die mening moeten schragen, te weten:

“In het vorige week verschenen boek Staatssecretaris of seriecrimineel schetst NRC-journalist Andersson Toussaint een nog veel dramatischer beeld van de Marokkaanse gemeenschap. Er is geen etnische gemeenschap, stelt hij, waar het wij-zij denken zo sterk is ontwikkeld. In bepaalde delen van Amsterdam-West leeft een grote groep Marokkanen, die zich bovenal Marokkaan voelt.” Zou het niet ook iets te maken kunnen hebben met het klimaat in Amsterdam-West? Paul Andersson Toussaint zegt zelf nl. wat anders: “Om het in de cultuur te zoeken vind ik heel moeizaam. Als je dan toch een culturele factor wilt noemen, dan is de straatcultuur heel belangrijk. Die is heel negatief, zeer macho en deels crimineel, maar die is veel breder dan de Marokkaanse cultuur, als je daar al van kunt spreken.’”

Mensen die het weten kunnen zijn Jan Dirk de Jong en Martijn de Koning. Beiden hebben ten bate van hun onderzoek zo’n zes, zeven jaar letterlijk rondgehangen met probleemjeugd in respectievelijk Amsterdam Slotervaart en Delft. De Jong kan zijn these prima overeind houden dat ‘de Marokkaanse cultuur’ als verklarende factor gemist kan worden. De Koning kan erg mooi uitleggen hoe begrippen als ‘cultuur’ en ‘identiteit’ vaak oneigenlijk gebruikt worden, waardoor het allemaal ver van de werkelijkheid af komt te staan. ‘Kutmarokkaantjes’ zijn eerder over-geïntegreerd dan te weinig, stelt hij.

het rechte pad

Ondertussen is men in Winschoten met succes aan het poetsen geslagen. Niet met ‘marokkaantjes’ weliswaar, maar met extreemrechtse jeugd: terwijl men jongeren die in de periferie zweefden van de groep weghield, bood men hen een perspectief. Kamerlid Tofik Dibi van GroenLinks pleit ervoor om in heel Nederland gewag te maken van deze methode. Wedden dat-ie ook prima werkt in Slotervaart (liefst in combinatie met een aanpak om er een leefbaarder wijk van te maken)? Overal waar uitzichtsloosheid heerst, radicaliseert (met name) onze jeugd – soms alleen in gedrag, soms ook van binnen. Creëer nou eens echte kansen, in plaats van energie (en geld!) te steken in een zoektocht naar extra, externe oorzaken.

Steve Biko, een rolmodel voor Palestina?

Arun Gandhi, de kleinzoon van de Mahatma, groeide op in Zuid-Afrika. Vanuit zijn achtergrond trekt hij zich het lot van de Palestijnen ten zeerste aan: zij hebben het naar zijn zeggen tien keer zo zwaar als destijds de zwarten (en andere minderheden) in Zuid-Afrika. Hij heeft ook een oplossing:

“Arun has given many speeches about non-violence in many countries. During his tour to Israel, he urged the Palestinians to resist Israeli occupation peacefully to assure their freedom.

In August 2004, Gandhi proposed to the Palestinian Parliament a peaceful march of 50,000 refugees across the Jordan River to return to their homeland, and said MPs should lead the way. Gandhi also claimed that the fate of Palestinians is ten times worse than that of blacks in South African Apartheid. He asked: “What would happen? Maybe the Israeli army would shoot and kill several. They may kill 100. They may kill 200 men, women and children. And that would shock the world. The world will get up and say, ‘What is going on?’.” Gandhi later said that Yasser Arafat was receptive to the march idea, but it became a moot point after Arafat’s November 2004 death.”

geweldloos verzet

De methode van geweldloos verzet van Gandhi sr. en jr. is inderdaad een beproefde. Maar hoe ging het destijds in Zuid-Afrika? Internationale aandacht en protest kwamen in een stroomversnelling door de volgende reeks specifieke gebeurtenissen, die naar mijn mening een cruciale rol hebben gespeeld:

  1. De dood van mensenrechtenactivist Steve Biko in 1977 door politiegeweld.
  2. Journalist Donald Woods vluchtte uit Zuid-Afrika om het verhaal naar buiten te brengen.
  3. Songwriter Peter Gabriel schreef in 1980 een krachtig statement getiteld ‘Biko
  4. In 1987 verfilmde Richard Attenborough de gebeurtenissen in Cry Freedom.

Toen werd ook het nummer van Gabriel voorzien van de beroemde videoclip met beelden uit de film. De indringende ‘shots’ van de politie die met scherp schoot op scholieren gingen vele malen de wereld rond. Een aantal maanden daarna was het gedaan met Apartheid.

Als de Palestijnen verzet zouden plegen met een vreedzame mars van 50.000, dan zou de Israelische regering zeer zeker op hen inschieten – dat doen ze zelfs bij hun eigen mensen*. En hoe zou de rest van de wereld dan reageren? Traag maar adequaat, zoals in het geval van Zuid-Afrika? Of ambivalent tot in de eeuwigheid?

“And the eyes of the world are watching now”


Are they?

Mister Gandhi, how about een nieuw geweldloos offensief, als alternatief voor het bloedige geweld van Hamas? Het zal niet eenvoudig zijn hen erin te doen geloven.

Maar laten we erop vertrouwen dat er altijd nieuwe Attenboroughs en Gabriels op zullen staan – opdat wij niet vergeten.

En dat geldt net zo goed voor al die andere plekken waar onderdrukking heerst, en waar internationale druk de situatie structureel zou kunnen verbeteren.


* http://www.indymedia.nl/nl/2009/06/60023.shtml:
Ashraf Abu Rahmev lives in Bil’in, a village in the occupied Westbank. Every week the inhabitants of Bil’in demonstrate against the wall that Israel has built through their lands. The demonstrations meet a lot of violence from the Israeli army. Ashraf was recently shot while being handcuffed. Ashrafs brother Bassem was killed by the Israeli army during one of the non-violent demonstrations in Bil’in in April 2009.

Lymor Goldstein and Inbar Choresh are activists with Anarchists Against the Wall, a direct action group that was established in response to the construction of the wall Israel is building on Palestinian land in the Occupied West Bank. The group works in cooperation with Palestinians in a joint popular struggle against the occupation. Goldstein was shot in his head during a demonstration in Bil’in and is a human rights attorney.



Addendum (17-05-’11): Here comes your non-violent resistance

Verlicht populisme

Onlangs werd The Diploma Democracy van Mark Bovens gelanceerd middels een soort campagne voor meer populisme, getuige koppen als ‘Wilders wint dankzij PvdA en VVD’ (VK) en een uitlating als “Wilders is een ‘blessing in disguise'” (interview bij IKON). Aangezien het pleit voor minder scheve machtsverhoudingen tussen hoog- en laagopgeleiden, ligt het gekozen format (een engelstalige kluif) niet direct in het verlengde daarvan. De voorstudie uit 2006 bood uitkomst: prettig leesbaar en opvallend genoeg verstoken van voornoemde angel … Als het slechts een slogan was om het verhaal te verkopen, dan heeft het in mijn geval gewerkt.

meritocratie

Dat een hoogopgeleide minderheid de politieke agenda bepaalt lijkt misschien een open deur, maar het is erger dan dat: de afgelopen drie decennia laten een leegloop zien die zo drastisch is, dat het wel lijkt alsof we opnieuw in de 19e eeuw zijn beland. Lager opgeleiden zijn massaal afgehaakt en de elite neemt ongehinderd besluiten waarvoor in feite slechts in eigen kring draagvlak bestaat. Dat is op zijn minst zorgwekkend.

Bovens pleit dan ook voor diverse vormen van directe democratie, zoals daar zijn: directe verkiezingen van bewindspersonen, referenda en burgerinitiatieven. Ook dat is niks nieuws, maar bij de elite wil het nog alsmaar niet echt aanslaan. Parlementair Nederland moet blijkbaar telkens worden opgepord om, met het oog op de gapende kloof, wat enthousiasme voor het democratische experiment op te brengen.

Daarnaast breekt hij een lans voor actieve participatie middels maatschappelijk debat en deelname in organisaties (politieke partijen, ngo’s etc.) om – desnoods op verplichte basis – een meer representatieve vertegenwoordiging voor elkaar te boksen. Dat zijn eigenlijk hele klassieke methodes… zou het daarom zijn dat her en der de postmoderne stekels overeind gingen staan? Het plebs opnemen, zelfs de LPF is ervan teruggekomen.

de discussie

Mark Bovens is onpartijdig (in die zin dat het functioneren van de democratie hem boven alles lijkt te gaan), is voor pluriformiteit en hield in 2003 in Trouw een vurig pleidooi tegen wij/zij-denken. Hem gaat het niet om de inhoud, maar puur om het beantwoorden van de vraag ‘who should govern’. Als de laagopgeleide meerderheid nationalistisch ingesteld is, dan moet dat volgens hem logischerwijs consequenties hebben. Slechts aan het eind van het rapport haalt hij David van Reybroucks pleidooi voor populisme aan (want dat is immers ook luisteren naar de bevolking).

Nu het met name die roep heeft meegekregen, worden een paar woordjes gewijd aan de mogelijke valkuilen daarvan toch wel node gemist. Maar nee, hij steekt zelfs de loftrompet over de rol die charisma speelt bij de verkiezing van personen. De waarde van het rapport is puur gelegen in de oproep om alle rangen en standen weer een stem te geven, zowel incidenteel als structureel. Dat is tegen de heersende stroom in en dat betekent alle zeilen bijzetten.

Want juist bij de eigen linksliberale achterban is er weerstand en die richt zich inderdaad tegen de vorm, de methodes. Inhoudelijk gaat het over populistische partijen, dat die ook hoger opgeleiden en zeker niet alle lager opgeleiden aanspreken – wat afleidt van de (eigenlijke) stelling dat die laatsten het meest zijn afgehaakt en de sociaal-democratische partijen middenklassepartijen zijn geworden. Tjitske Akkerman ziet weinig heil in directe democratie, maar zou het wel eens willen hebben over “de manier waarop populisten opkomen voor het volk”.

*tromgeroffel* “Welke vormen van directe democratie staan zij voor, [..]” Hè? Who cares, als je er zelf niet eens voor te porren bent! Maar waar zou het in ‘de’ politiek over moeten gaan? Braaf over misdaad, asielzoekers, integratie en Europese eenwording? Of eens een keertje over de pro’s en vooral de cons van privatisering, marktwerking en de afbraak van sociale regelingen en voorzieningen? Voorzover men zich om de afgehaakte kiezer bekommert, lijkt men er gemakshalve vanuit te gaan dat die het beslist niet dáárover zou willen hebben.

populisme

Pas kort nadat van Reybrouck het verlichte populisme begon te prediken hebben linksliberalen als Mark Bovens (PvdA) en Dick Pels (GroenLinks) het als element in de discussie gevoegd. Populisme mag dan volgens het woordenboek een neutrale term zijn, de keren dat Pels de SP in het verleden populistisch noemde was dat niet om hen een compliment te maken. Van Reybrouck en ook ‘Obama’ hebben hem de ogen geopend: naast een duistere zou het ook een aantrekkelijke kant hebben. Vertel!

Hij schetst: “Er is sprake van een groeiende kloof tussen betrekkelijk homogene subculturen: het SBS6-Telegraaf-Radio 538-kamp versus het VPRO-NRC-Radio 4-kamp, waarbij in het eerste materialistische, autoritaire en nationalistische waarden prevaleren en in het tweede postmaterialistische, libertaire en kosmopolitische waarden. Hoe lager het onderwijspeil, des te meer men zich verliezer voelt van de globalisering en de meritocratie, en des te groter het algemene wantrouwen en onbehagen is in de politiek.”

Maar hoe ziet nou in vredesnaam een verlicht populistische oplossing eruit? Heel even komt het woord ‘cultuureducatie’ langsflitsen, temidden van veel damp. Laaggeschoolden in het parlement daar moet ook Pels niet aan denken, het charme-offensieve element daarentegen spreekt hem bijzonder aan. Maar hoe zelfverklaarde kosmopolieten zich met verstokte nationalisten gaan verzoenen blijft vooralsnog aardeduister.

Van Reybrouck zegt ‘No one has to be afraid of absurd policy proposals and sweeping statements. Populism can be as anti-elitist and anti-establishment as it wishes to be, provided it is not anti-parliamentary and anti-democratic. It is an enrichment to society if the least educated can find democratic parties within the political spectrum to which they can relate.’ (Bovens 2009; p. 100) Dat is waar, maar ook binnen de wet kan men allerlei repressieve maatregelen verlangen. Als het elitaire antwoord daarop tot nu toe ‘libertair’ was, hoe luidt het populistische dan wel niet?

elitarisme

Het p-woord an sich heeft mijns inziens een (1) enkel nut: de ingedutte post/neo-kliek uit hun winterslaap wekken. Het komt bij voorbeeld op het juiste tijdstip om als repliek te dienen op ‘Het Bange Nederland’, op zich best een aardig boekje waar de usual suspects zich lekker door aangesproken voelden. Maar, zoals de Fabelkrant haarfijn opmerkte: ‘Tot zover zullen de meeste linksen zich wel enigszins kunnen vinden in de kritiek van Duyvendak, Engelen en De Haan op de conservatieven, nationalisten en rechts-populisten. Maar zoals het echte liberalen betaamt, stokt hun kritiek zodra het kapitalisme in beeld komt.’

Dan word je zowaar zelf tot het plebs gerekend welks kritiek louter voortkomt uit angst voor het nieuwerwetse. Onlangs vroeg een raadslid van GroenLinks Leiden zich af of je als idealistische partij referenda moet willen – implicerend dat de meerderheid van de bevolking dat niet is, idealistisch. Dan denk ik onwillekeurig aan al die besluiten die noch groen, noch links te noemen vallen, en waar inderdaad steeds zo’n tweederde van de stad anders over denkt. Steeds vaker bevind ik mij tussen die morrende meerderheid, terwijl ik nog steeds dezelfde minderheidsstandpunten heb als vroeger. Misschien is GL gewoon best wel eng.

Dat
hele ingedutte smaldeel mag wel eens z’n ivoren toren uitgebruld worden – mooi als je bij je principes wil blijven, maar niet als die neoliberaal zijn. En de verlicht-populistische toekomst, ik vermoed dat onze CDA-wethouder daar een staaltje van ten beste gaf tijdens het Wildersdebat vorig jaar. Hij begon over een  werkeloze havenarbeider, die zich ergert aan al het arabisch en de satellietschotels om hem heen, maar eigenlijk met sociaal-economische behoeften kampt. Maar, zei hij snel, je moet dan iets doen aan datgene waar hij om vráágt (die schotels dus). Verlicht populisme is vooral een stukje professionalisering richting marketing.